In 1960 woonde ik als 8 jarig jongetje in Rotterdam. Op een
dag kwam mijn vader me ophalen uit school. We gingen met zussen en oma in een
grote groene auto 14 dagen op vakantie in Ulvenhout, op de Kraaijenbergsestraat,
welke toen nog een zandweg was.
Daar stopte een traktor met Co Verheijen erop. Ikzelf ging
naar de buren; familie van Miert, om met Jan en Anneke van Miert naar de
konijnen te kijken. Ze woonden in een groot huis, met een keuken met open haard,
een waterpomp en een kerkbeeld. Hun moeder sneed altijd het brood, voor haar
buik in grote plakken. Vader Toon van Miert, reed in een klein autootje en
verkocht spullen. Hij had ook het “snoepje van de week”. Ik mocht ook hun
autoped/fietsje lenen.
We gingen ook naar de familie Verheijen. Ik ging met grote
Sjakie, met paard en wagen melkbussen ophalen, aardbeien plukken en met zijn
vader Co boomstammen met kettingen en paard uit het bos halen. Ze hadden een
teckel met de naam Lex, kippen, koeien, enzovoorts. ‘s Avonds zaten ze
gezellig buiten met zijn allen tuinbonen te doppen. Ik was verliefd op Hetty.
Aan de andere kant van het huisje zat boer Roovers (hij had een zware stem), met veel kinderen. Ik ging daar kippen voeren. Ze hadden binnen ook koeien en buiten een grote waterput. Van een meisje daar, kreeg ik een schaal aalbessen.
Eén keer gingen we naar het café van Marie Christianen
aan de Dorpstraat waar links een Wurlitzer juke-box stond te spelen. Er stond
ook een pinda-automaat (5 cent) en achter kon je bij de lege kratten schommelen.
In Ulvenhout had je ook de Fazanterie, waar je wat kon drinken en in de
speeltuin van grote bomen kon spelen. Je kon daar koekoeksfluitjes kopen. Ik
herinner me ook de kerk van Ulvenhout, deze was van binnen adembenemend.
Het
is in mijn verdere leven niet goed gegaan maar de mensen in Ulvenhout, die ook
echt mens waren, zitten in mijn ziel, en hebben meegeholpen aan een zéér
gelukkige tijd voor een kind.
Gerrit Hazeleger